Toelichting week 10 t/m 14
Week 10
Matteüs 11:2-15, De vraag van Johannes aan Jezus
- Met de wegbereider Johannes de Doper loopt het niet goed af. Zijn scherpe tong (hij bekritiseerde openlijk de relatie tussen de koning en diens schoonzus) heeft ervoor gezorgd dat hij in de gevangenis zit.
- Zei hij bij de doop dat eerder Jezus hem zou moeten dopen, in de gevangenis, in een crisissituatie, trekt hij – hoe menselijk – alles weer in twijfel. Hij stuurt enkele van zijn volgelingen naar Jezus met de vraag: bent u degene die komen zou of moeten we een ander v
verwachten?
- Jezus geeft hem antwoord door de profeet Jesaja te citeren: Kijk om je heen naar wat er gebeurt: blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen…
- Met de mensen om zich heen begint Jezus ondertussen een vraaggesprek over Johannes de Doper. Waarom wilde men hem zien? Omdat hij sterk en onbuigzaam als riet in de wind was? Of omdat hij rijke en prachtige kleren droeg? Of omdat hij een profeet was?
- Door deze vragen maakt Jezus de mensen bewust dat Johannes de Doper een profeet is. En niet zomaar een profeet, maar een grote: hij is de wegbereider Elia, die zou komen volgens de profeten.
Jezus en Petrus op het meer, Matteüs 14:22-33
- Hierna trekt Jezus zich in eenzaamheid terug van iedereen. Zelfs zijn leerlingen stuurt hij in een schip naar de overkant van het meer van Galilea.
- Het is avond en ze varen midden op het meer met tegenwind en hoge golven. Deze keer zijn de leerlingen niet bang voor het weer. Maar er gebeurt iets: Jezus komt over het water naar de leerlingen toe.
- Ze herkennen hem niet en zijn doodsbang. Wat is dit voor een verschijning of verschijnsel?
- Dan maakt hij zich bekend en stelt ze gerust. Petrus wil in zijn enthousiasme ook over het water lopen.
- Zolang hij zich op Jezus en zijn stem richt, gaat het goed. Als Petrus echter naar de tegenwind en de hoge golven kijkt, wordt hij bang en zinkt in het meer. Hij roept om hulp, die hij krijgt.
- Als iedereen in het schip zit, zijn de leerlingen meer dan ooit onder de indruk van Jezus.
De belijdenis van Petrus, Matteüs 16:13-20
- Wie is Jezus? Die vraag is niet nieuw, maar werd al gesteld in de eerste gemeente van Jezus’ volgelingen. Dat is troostrijk voor ons.
- Er worden verschillende antwoorden gegeven door de leerlingen: Elia, Johannes de Doper, Jeremia.
- Simon Petrus noemt Jezus echter: Christus (gezalfde, messias) en zoon van de levende God. Jezus noemt Petrus’ antwoord heel bijzonder. Dit moet God hem hebben verteld.
- Als antwoord hierop krijgt Petrus’ naam extra betekenis van Jezus: hij zal de rots van de gemeente zijn (‘petra’ = rots). Petrus krijgt ook de bijzondere taak om de sleutels van Gods rijk te bewaren.
- Hoe bijzonder Petrus’ belijdenis ook mag zijn, toch moeten de leerlingen naar buiten toe zwijgen over Jezus’ messiasschap.
- Eerst zal er een moeilijke weg volgen van vervolging en lijden en dood en opwekking, zegt Jezus.
- Deze moeilijke kant wil Petrus liever niet horen. Hij bestraft Jezus zelfs, maar Jezus legt uit, dat het de enige weg is van God. Die weg is anders dan alle menselijke wegen.
- Wie Jezus wil volgen op deze weg kan met moeilijkheden in zijn leven te maken krijgen. Deze worden dan je ‘kruis’ genoemd, net zoals Jezus’ kruis.
Week 11
Vijf broden en twee vissen, Matteüs 14:13-21
- In eerste instantie trekt Jezus zich terug op een eenzame plaats om dit nieuws te verwerken.
- Meteen hierna is Jezus’ ontferming over de mensen groot. Eerst geneest hij zieken. Dan laat hij hen in het gras zitten en geeft hun te eten zoals de herder in Psalm 23.
- Er zijn slechts vijf broden en twee vissen voor vijfduizend mensen.
- Het getal vijf herinnert aan de boeken van de Tora (de eerste vijf boeken van de Bijbel). Het getal twee herinnert aan de twee stenen tafelen en aan de Profeten en Geschriften rondom de Tora.
- Jezus vraagt de zegen over dit eten, breekt de broden en geeft ze aan de leerlingen om uit te delen over de vijfduizend mensen.
- Door te delen blijft er over: twaalf manden met brokken. Het getal twaalf herinnert aan de twaalf stammen van Israël.
- Het gaat hier niet alleen letterlijk om brood, maar om geestelijk voedsel. Jezus deelt dat voortdurend uit aan de schapen van Israël, die na de dood van Johannes helemaal zonder herder zijn.
De Kanaänitische vrouw, Matteüs 15:21-28
- Jezus verlegt zijn grenzen en gaat Israël uit, naar de omgeving van Sidon en Tyrus.
- Uit Tyrus kwam de oudtestamentische koningin Izebel, die niet in de god van Israël geloofde, maar Kanaänitische goden aanbad.
- Op de achtergrond klinkt dit oude verhaal uit het eerste testament mee, als Jezus de Kanaänitische vrouw ontmoet.
- Jezus wil haar eerst geen antwoord geven, terwijl ze hem respect toont door hem ‘zoon van David’ (d.w.z. koning van Israël) te noemen.
- Hij zendt haar echter ook niet weg zoals de leerlingen willen, maar bespreekt heel open zijn opdracht als herder voor de schapen van het huis Israël.
- Hij gebruikt daarbij het beeld van het brood voor de kinderen, dat je niet weggooit voor de honden.
- Prachtig is de manier, waarop de vrouw haar deel van het brood (kruimels) opeist. Zij is tevreden met wat van de tafel afvalt voor de honden (heidenen).
De verheerlijking op de berg, Matteüs 17:1-13
Op de berg
Een nieuw inzicht
De gebeurtenis op de berg speelt zich af na de eerste aankondiging van het lijden en Petrus’ uitroep dat God dat verhoede. Zes dagen later neemt Jezus drie discipelen mee de berg op. De zes dagen refereren aan de schepping van de mens naar Gods beeld (Gen 1:26), maar ook aan de tekst over de gave van Tora bij de Sinai (Ex 19:11, waar drie plus drie zes maakt volgens joodse uitleg). Jezus gaat op pad met drie leerlingen, zoals Mozes op pad ging met Aaron en twee van zijn zoons (vgl Ex 24:9). Het zijn dezelfde leerlingen die hem later zullen vergezellen in de hof van Gethsemane. De ervaring die hier wordt opgedaan zal helpen om Gethsemane (mettertijd) te doorstaan.
Op allerlei manieren herinnert de tekst aan Mozes. Het stralende gelaat vindt men in Ex 34:29, bij de Godontmoeting waarbij Mozes de tien woorden ontving. Die ontmoeting maakt Mozes anders, zoals de tien Woorden de bedoeling hebben het leven van mensen anders te maken, hen bij bevrijding te bewaren en in verbondeenheid met God te leven. Wie zo leeft, maakt een keer in het bestaan, zoals de bevrijding uit Egypte een keer in het bestaan was. Diezelfde keer maakt Jezus ook, hij zal een keer in de geschiedenis bewerkstelligen door zijn verbondenheid aan God en Gods verbondenheid aan hem. Het straalt er vanaf - het is een inzicht dat de leerlingen geschonken wordt.
Levende Woorden
Dan verschijnen Mozes en Elia. Wet en Profeten vergezellen Jezus, hij spreekt met hen, leert met hen/van hen. Jezus’ levensweg gaat in het spoor dat zij hem wijzen. Een weg van verlossing, beproeving, vervolging, maar altijd een weg waarop de Ene zich betrouwbaar toont. Hun eigen trouw heeft hen tot wegwijzers binnen Israël gemaakt. Ook de verhalen rond hun dood maakt hen bijzonder. Zij zijn geen van beiden gestorven (zie Deut 34:6 en 2 Kon 2:11). Dat betekent dat zij op de een of andere manier nog steeds werkzaam zijn, nog steeds van betekenis, niet uitgewist, maar aanwezig in het hier en nu van de levenden. Het woord waar zij hun leven aan hadden gewijd, het Woord van God dat zij de mensen bekend hadden gemaakt, is nog steeds een levend woord.
Nieuw horen
Petrus kan met deze ervaring beter uit de voeten dan met de aankondiging van het lijden. Enthousiast stelt hij voor tenten op te zetten, zodat men blijven kan (vgl Ex 24 en Ex 25:8). Maar hij wordt onderbroken. Een wolk verschijnt: teken van Gods aanwezigheid bij het volk Israel op uittocht en doortocht, teken van Gods aanwezigheid bij de berg van het verbond. Uit deze wolk klinkt een stem. De woorden die klonken bij de doop van Jezus worden herhaald. Hier wordt geciteerd uit Gen 22:2 en Jes 42:1. Er wordt iets aan toegevoegd: Hoort naar hem. Niet alleen Jezus wordt zich bewust van zijn identiteit en roeping, maar ook de leerlingen mogen dat nu horen, weten en daar naar handelen. Direct na de aankondiging van het lijden, leren zij zien dat dit lijden niet geïnterpreteerd hoeft te worden als een struikelen op Gods weg, maar dat het juist een welbewogen en overwogen gaan is op die weg.
Een betrouwbare weg
De leerlingen hebben Jezus anders leren zien, maar zij mogen door wat hij spreekt ook anders horen, dat wil zeggen: de dingen die ze meemaken interpreteren op de manier die hij hen voorhoudt. Hij is hun betrouwbare leraar, die uitlegt zonder dat er een tittel of jota van Wet en profeten verloren gaan. Zijn weg is een uitwerking van de weg van Israël. Hij slaat geen nieuwe wegen in, hij gaat het oude spoor en leert zijn leerlingen (dat wil zeggen: hij bevestigt met zijn leven) dat dat geen doodlopend spoor is. De eerste woorden die hij tot zijn leerlingen spreekt zijn: ‘Sta op! En vreest niet’. Met deze woorden worden de leerlingen ingewijd in het opstandingverhaal. Nogmaals wordt duidelijk dat deze tekst mensen voorbereidt op wat komen gaat, het is een bemoedigende tekst: het helpt hen Jezus’ lijden vanuit een nieuw perspectief te zien.
Herinterpreteren
In het gesprek dat Jezus daarna (afdalend van de berg) met hen heeft, wordt dat nog eens onderstreept. Hij dringt erop aan om niemand hierover te vertellen voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt. Het werkelijke inzicht dringt bij de leerlingen pas na die opwekking door. Zij leren hun geloofstraditie herinterpreteren, ze leren zien hoe Jezus daarbinnen past, ondanks (of dankzij) zijn lijdensweg. Er is kennelijk onder de leerlingen (hier vertegenwoordigd in de drie) na de opstanding discussie geweest: hoe kan het bij Jezus om de Mensenzoon ofwel hoe kan het om de Messias gaan? Elia, de voorloper van de Messias, is toch nog niet verschenen (terwijl hij dat volgens de joodse traditie wel doen zal)? Jezus leert hen dat Elia niet herkend is toen hij er was. Hij toont hoe zijn leven past in hun verwachtingspatroon. In de evangeliën vind je terug hoe onder zijn volgelingen het inzicht in de betekenis van Jezus langzaam groeit: een besef steeds dieper doordringt.
Week 12
Matteüs 19,16-26, De rijke jongeling
- In verband met vergeving spreekt Jezus over het huwelijk: de oefenschool in vergeving. In dit verband worden kleine kinderen door Jezus gezegend. Zij wijzen ouderen de weg naar vergeving door er te zijn.
- Een rijke jongeman wil het koninkrijk ‘verwerven’. Hij denkt dat alles te koop is in het leven. In het koninkrijk wil hij zich inkopen door ‘goed’ te doen.
- Jezus antwoordt, dat er maar Eén ‘goed’ is, namelijk God. Voor mensen is de enige weg om de geboden te doen.
- Als de rijke jongeman Jezus echt wil volgen, moet hij echter zijn rijkdom weggeven. Dit valt hem zwaar.
- Jezus zegt tegen zijn leerlingen dat het voor een rijke net zo moeilijk is om het koninkrijk binnen te gaan als voor een kameel door de kleinste poort van Jeruzalem (het oog van de naald).
- De leerlingen zijn verslagen. Wie kan het opbrengen om alles los te laten en Jezus te volgen? Bij mensen niemand, zegt Jezus, maar God is er ook nog. Zo keren we terug naar de eerste en de laatste plaats, die steeds wisselt.
Matteüs 20:1-16, De arbeiders van het eerste uur
- De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard zet het gesprek voort over de eerste en de laatste plaats bij God.
- De wijngaard is een bekend beeld uit de profeten voor de manier, waarop God met mensen samenwerkt om de aarde leefbaar te maken.
- In Gods wijngaard en onder Gods heerschappij (koningschap) gelden andere regels en wetten dan op aarde, zegt Jezus.
- Dat is prettig voor degenen, die als laatsten geroepen worden om mee te doen in de wijngaard. Zij krijgen precies dezelfde beloning als wie al veel langer hebben gezwoegd in weer en wind.
- Voor wie als eersten zijn geroepen kan het echter oneerlijk lijken, dat zij niet beter worden beloond dan de laatkomers.
- Deze gelijkenis kan als troost, maar ook als waarschuwing gelezen worden door volgelingen van Jezus.
- Ook al ben je vanaf het eerste uur bij Gods rijk op aarde betrokken, toch heb je niets om je op te laten voorstaan boven anderen. Het gaat om het geheel.
Matteüs 21:28-32, Nee zeggen, ja doen
- Na Jezus’ optreden in de tempel willen de geestelijk leiders weten, waar hij het lef en de genezende kracht vandaan heeft. Namens wie durft hij zo te handelen?
- Jezus kaatst hun vraag terug. Wat denken zij over het optreden van Johannes de Doper? Sprak en doopte Johannes in naam van God of niet?
- De geestelijk leiders durven niet te antwoorden op Jezus’ vraag, die de verbondenheid laat zien tussen Johannes en zichzelf.
- Dan volgt Jezus’ tweede vraag in de vorm van een gelijkenis: twee zonen worden door hun vader geroepen om te werken in de wijngaard. De eerste zegt: ja, maar werkt niet. De tweede zegt: nee, maar werkt wel. Wie doet de wil van zijn vader?
- Jezus legt uit dat Johannes de stem van de vader heeft vertolkt met zijn oproep tot bekering (verandering van leefwijze).
- Niet de geestelijk leiders, maar de hoeren en tollenaars hebben die oproep beantwoord door hun leven te veranderen.
Week 13
Matteüs 21:1-17, Intocht in Jeruzalem
Het zijn kinderen die in de tempel de waarheid spreken. Als Jezus de tafels van de wisselaars omvergooit, noemen ze hem ‘Davids Zoon’ (vers 15). Daarmee duiden ze aan dat ze in Hem de langverwachte gezalfde (messias) zien. In week 11 hoorden we al dat het in Gods koninkrijk, in de omgang met God, niet om geld gaat. De tempel van God hoort een huis van gebed te zijn. De eerste openlijke daad van Jezus als ‘zoon van David’ is de tempel weer toegankelijk maken voor eenduidige omgang met God. Er wordt ook iets zichtbaar in de manier waarop Jezus Jeruzalem binnenkomt. Als ‘zoon van David’ zit Jezus niet op een vorstelijk paard, zoals koningen en heersers van de volkeren. Jezus zit op een geleende ezel, zoals de gezalfde koningen van Israël doen. Denk aan Salomo en aan de verwachting van Zacharia 9:9. De kleden op straat zijn geen fluwelen lopers zoals bij gewone koningen, maar het zijn de kleren van de armen. Wie met Jezus hoog te paard wil zitten, komt bedrogen uit. De schare ziet in Hem een profeet (vers 11). Hier zien we een voorproefje van ‘Uw koninkrijk kome’ (Matteüs 6).
Matteüs 26:17-25, Voorbereidingen en Avondmaal
- Jezus gaat met zijn leerlingen Pesach vieren, het feest waarop de uittocht uit Egypte wordt herdacht door het Joodse volk.
- De voorbereiding van deze maaltijd bestaat uit het dekken van de tafel met vier glazen wijn, met bittere kruiden, met ongezuurd brood (matses) en in de tijd van Jezus ook nog met een paaslam.
- De vier glazen wijn herinneren aan vier werkwoorden: uitleiden, redden, verlossen, aannemen. Dat heeft God met zijn volk gedaan.
- De maaltijd begint altijd ‘s avonds na zonsondergang. In de tijd van Jezus lagen de leerlingen met hem aan tafel.
- Daar bespreekt Jezus dat één van de twaalf hem zal verraden. Net als de anderen vraagt Judas aan Jezus: ‘Ik ben het toch niet?’
- Jezus’ antwoord is bevestigend: ‘Je hebt het gezegd’.
- Nadat Jezus en zijn leerlingen samen Pesach hebben gevierd, geeft Jezus zijn leerlingen een nieuwe manier om samen brood en wijn te delen.
- Eerst neemt hij een brood (matse), breekt het en deelt het rond om van te eten. Hij zegt erbij: ‘Dit is mijn lichaam.’
- Dan neemt hij een beker wijn, dankt God en deelt de beker rond om uit te drinken.
- Hier spreekt hij woorden uit het eerste testament: ‘Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.’
- In het eerste testament werd altijd een lam (zondebok) geslacht, als teken van ieder nieuw verbond tussen God en mensen.
- Deze nieuwe manier om brood en wijn te delen herinnert niet alleen aan Jezus’ dood, maar is ook al een voorproefje van het koninkrijk.
Matteüs 26:30-46, Verloochening voorzegd
- De Olijfberg is bij de profeten de plaats waar Gods nieuwe tijd aanbreekt. Na het eten gaan Jezus en zijn vrienden erheen.
- Jezus zegt tegen zijn vrienden, dat ze zich deze nacht aan hem zullen ergeren.
- Petrus spreekt hem tegen. Maar Jezus zegt dat juist Petrus deze nacht (voor de hanen kraaien) zal doen, alsof hij Jezus niet kent.
- Jezus gaat naar een tuin op de Olijfberg: Getsemane. Hier wil hij bidden. Hij vraagt Petrus, Johannes en Jakobus om ook te bidden en wakker te blijven. Hij is bang voor wat komen gaat.
- In gebed aan God laat Jezus zijn worsteling zien. Hij vraagt of deze beker aan hem voorbij kan gaan.
- De leerlingen kunnen hun ogen niet openhouden in dit moeilijke uur. Driemaal treft Jezus hen slapend aan.
- Na drie gesprekken met God is Jezus voorbereid op het moeilijke, dat gaat komen.
Week 14
Matteüs 26:47-75, Getsemane, gevangenneming, verloochening
- Nu wordt duidelijk wat voor vriend Judas is. Hij kust Jezus om aan de soldaten te laten zien wie ze moeten grijpen.
- Jezus laat het achterbakse van de actie zien: waarom hebben ze hem niet openlijk gegrepen, toen hij in de tempel was en mensen genas? Waarom hier, in het donker, ‘s nachts?
- Hij wordt in de nacht voor het Sanhedrin, de raad van geestelijken, geleid. Men probeert hem te beschuldigen van een of andere zonde.
- Dan vraagt men Jezus of hij soms de gezalfde, de messias, de Christus is en kind van God. Hij zegt alleen: je zegt het.
- Ondertussen zit Petrus buiten in de tuin van het Sanhedrin. Drie mensen vragen hem of hij niet ook bij Jezus hoort. Heeft hij niet hetzelfde dialect? Driemaal ontkent Petrus.
- Dan kraait een haan en Petrus herinnert zich Jezus' waarschuwing. Diep bedroefd is hij om zijn ontkenning...
Matteüs 27:1-61, Pilatus, spot, kruisiging, begrafenis
- Omdat de geestelijk leiders Jezus willen laten doden, brengen ze hem bij de Romeinse stadhouder Pilatus.
- Ze zeggen dat Jezus doet alsof hij ‘koning van de Joden’ is. Zelf zegt Jezus niets meer.
- Pilatus laat met Joodse feesten altijd een misdadiger vrij. Nu mag het volk kiezen tussen Jezus Christus of Barabbas. Pilatus ziet zelf geen schuld in Jezus.
- Het volk wil dat Jezus wordt gekruisigd. Hij wordt meegenomen door Romeinse soldaten. Ze verkleden hem als koning en lachen om hem. Daarna moet een zekere Simon het kruis voor hem dragen.
- Ten slotte wordt Jezus gekruisigd op Golgotha als ‘koning van de Joden’ met twee misdadigers aan beide zijden.
- Aan het kruis roept Jezus een bekende psalmtekst: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U me verlaten?’ Daarna geeft hij de geest.
- Op dat moment valt er duisternis over Israël, zoals eens over Egypte. Het gordijn binnen in de tempel scheurt in tweeën. Er gebeurt iets ontzagwekkends en vreselijks.
- Een aantal vrouwen is Jezus gevolgd vanuit Galilea en zien hem sterven. Zij gaan ook mee, als Jezus wordt begraven in het nieuwe graf van Jozef van Arimatea. Het is de middag voor de sjabbat.
Matteüs 27:62-66, Wacht bij het graf
- ‘De volgende dag’, op sabbat dus, gaan de priesters en Farizeeën naar Pilatus. Streden de Farizeeën in Matteüs 12 over de regels op de sabbat, in dit geval overtreden zij ze zelf.
- De Farizeeën en priesters noemen Jezus in deze tekst ‘bedrieger’. Zij keren de zaak om. (De moderne psychologie zou dit projectie noemen!) Zij willen kost wat kost voorkomen dat Jezus’ woorden ‘Na drie dagen word ik opgewekt’ waarheid worden, hetzij door ingrijpen van de discipelen, hetzij door ingrijpen van God!
- Pilatus komt tegemoet aan het verzoek.
- Het graf wordt beveiligd met de wacht die het graf ook verzegelt. (Vergelijk Daniël 6:18, waar de steen op de leeuwenkuil wordt verzegeld.)
- Priesters, Farizeeën én Romeinse soldaten doen er alles aan om Jezus’ woorden ‘na drie dagen word ik opgewekt’ waarheid te laten worden.
- Dit verhaalelement dat alleen in het Matteüsevangelie voorkomt, zet het volgende verhaal alleen maar kracht bij. ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk’ wordt waarheid.
Matteüs 28:1-10, De opstanding
- De eerste dag na Jezus’ dood is het sjabbat. Niemand kan of mag iets doen.
- Op de eerste dag van de nieuwe week (zondag) gaan twee vrouwen al vroeg op stap om Jezus’ graf te bekijken. Het zijn Maria van Magdala en nog een Maria.
- Er volgt een aardbeving en een engel als een bliksemflits en in sneeuwwitte kleren komt uit de hemel en wentelt de steen voor het graf vandaan.
- De twee Romeinse grafbewakers verstarren van angst. Nu kan de engel vrijuit spreken tot de twee vrouwen.
- De vrouwen horen, dat Jezus niet meer in het graf is, maar uit de dood is opgewekt. Hij zal hen voorgaan naar Galilea.
- De vrouwen zijn blij en bang tegelijk. Op de terugweg naar de leerlingen komen ze Jezus zelf tegen. Ze grijpen hem bij de voeten.
- Jezus zegt hetzelfde als de engel, namelijk dat ze met de leerlingen naar Galilea moeten gaan om hem, Jezus daar te zien.
