Toelichting week 2 t/m 8/9
Week 2
Matteüs 3:1-17, Johannes de Doper
- Ondertussen treedt in de woestijn van Judea Johannes de Doper op. Hij is kritisch en scherp, hij stelt aan de kaak dat de mensen zich allang niet meer aan Gods levenswijze houden. Kennelijk verwoordt hij wat veel mensen voelen, want de mensen stromen toe om naar hem te luisteren en zich te laten dopen (dopen kan als afwassen van het oude worden gezien om een schoon nieuw begin te maken).
- Johannes de Doper leeft sober. Zijn kleding bestaat uit een jas, geweven van kamelenhaar. Hij eet alleen sprinkhanen en wilde honing. Hij is een profeet. De leren gordel om zijn heupen herinnert aan het verhaal van de Uittocht (omgorde heupen zijn het teken van op weg gaan). Johannes vertelt dat het werkelijke nieuwe begin met een ander begint die sterker is dan hij. Die ander zal pas echt een ‘grote schoonmaak’ houden. Hij houdt ‘de wan’ in zijn hand, vertelt hij, en zal het koren van het kaf scheiden.
- Geest en vuur wijzen ver vooruit naar Pinksteren. Johannes vindt zichzelf niet waard om zijn sandalen voor hem te dragen.
- Hoewel Johannes zich klein voelt, komt Jezus bij hem om zich te laten dopen. Johannes zou het liever omgekeerd zien en zelf door Jezus gedoopt worden. Precies op het moment dat Jezus omhoog komt uit de diepte, komt er een duif omlaag uit de hemel en gaat op Jezus zitten. Tegelijkertijd klinkt er een stem uit de hemel. De duif is het symbool voor Gods Heilige Geest, die hier zichtbaar op Jezus neerdaalt. Als de geest van God op mensen neerdaalt, kunnen ze andere mensen inspireren. Zo was het ook met Mozes en Jozua. De duif kennen we als brenger van goed nieuws.
De verzoeking in de woestijn, Matteus 4:1-11
- Onmiddellijk nadat we hebben gehoord hoe geliefd Jezus is door God, wordt deze liefde als het ware getest in de woestijn.
- Het gaat om de vraag: Wat betekent het om ‘geliefde zoon van God’ te zijn? Als je zo geliefd bent door God en hij je zijn zoon noemt, kun je dan alles krijgen zoals jij zou willen?
- Met dezelfde vraag heeft eerder het hele volk veertig jaar in de woestijn geworsteld.
- Om zich voor te bereiden, eet Jezus veertig dagen en veertig nachten helemaal niets.
- De eerste test heeft daarmee te maken. ‘Waarom zou je honger lijden als je zo’n geliefd kind van God bent?’ vraagt de duivel.
- Jezus wijst erop dat een mens niet van brood alleen left, maar ook van de woorden van God.
- De tweede test gaat over leven in vertrouwen. Zou je zelf ook nog iets moeten doen, als je je geliefd weet door de Eeuwige? Er zijn toch engelen om je te helpen?
- Voor het gemak vergeet de duivel in zijn citaat, dat mensen ‘op al hun wegen worden behoed’ (Psalm 91:11-12). Ze moeten op weg gaan. Je mag God niet verzoeken, zegt Jezus daarom.
- De derde test gaat over macht. Waarom zou de wereld niet aan je voeten liggen als je Gods zoon bent? ‘Omdat de wereld alleen God mag dienen,’ zegt Jezus.
- Nu Jezus zelf deze weg wil gaan, zijn er engelen om hem te dienen.
Week 3
Matteüs 4:18-22, Roeping van leerlingen
- Wordt bij Lucas, als Jezus de eerste leerlingen roept, eerst verteld over een nachtelijk visavontuur met een ongekende opbrengst, Matteüs vertelt de roeping compact en superkort.
- Jezus loopt langs het meer van Galilea en ziet twee broers, vissers: Simon die Petrus wordt genoemd en Andreas. Ze werpen hun netten uit. Onmiddellijk vraagt Jezus hen vissers van mensen te worden en zonder nadenken laten de vissers hun netten achter en volgen Jezus.
- Hetzelfde herhaalt zich met twee andere broers: Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs. Deze broers zijn samen met hun vader druk met het repareren van netten.
- Beide broers laten niet alleen de netten en boot voor wat ze zijn, maar laten ook hun vader achter en volgen Jezus.
Matteüs 5:13-16, Zout en Licht
- Vanaf de berg houdt Jezus een toespraak. In eerste instantie onderricht hij zijn leerlingen die om hem heen zitten (5:1). Maar in een wijde cirkel zit de mensenmassa. Het herinnert aan de berg waar God zijn woorden aan Mozes gaf en waar God Elia ontmoette.
- Jezus roept zijn leerlingen op het zout van de aarde te zijn, de smaakmaker, de inspirator. Als wat zij zullen doen ‘geen smaak’ heeft, waartoe zou het dan nog dienen?
- De tweede metafoor, het licht, is een nog krachtiger beeld dan het zout. Licht is er om te schijnen, niet om het te verbergen. Wie zet zijn licht onder een korenmaat (maatbeker om koren af te meten)?
- Heel duidelijk zegt Jezus het in vers 16: Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.
Matteüs 6:5-18, Bidden (Onzevader) en vasten
- Precies in het midden van de lange Bergrede staat het Onze Vader.
- Rondom het Onze Vader horen we wat bidden is. Het gaat niet om op te vallen voor anderen, maar om je eigen relatie met God. Dat geldt ook voor andere godsdienstige plichten zoals het geven van geld of vasten. Ook dat is iets tussen God en jou.
- In het Onze Vader wordt kernachtig samengevat waar het om gaat in je leven en in de rest van de Bijbel:
- God laat zich kennen als een vaderlijke (en/of moederlijke) God.
- Gods naam mag niet goedkoop worden gebruikt.
- Gods heerschappij zal een heel andere wereld betekenen. Daarom zal zijn wil moeten worden gedaan. Niet alleen in de hemel, maar ook op aarde is dat van levensbelang.
- Mensen hebben dagelijks brood nodig om te kunnen leven.
- Belangrijk is de kwijtschelding van schuld tussen mensen. Dit wordt herhaald als bevestiging en afsluiting van het Onze Vader.
- Ten slotte heb je hulp nodig om niet in de verzoeking te komen om in deze wereld Gods rijk en wil uit het oog te verliezen.
Week 4
Matteüs 5:1-12, Zaligsprekingen
- In deze toespraak noemt Jezus mensen gelukkig die wij eerder zwak of ongelukkig zouden noemen. Juist deze mensen horen volgens Jezus thuis in het koninkrijk der hemelen.
- In vers 3 vertaalt de NBG: gelukkig wie nederig van hart zijn. In de oude vertalingen, dichter bij de oorspronkelijke tekst, stond: ‘Armen van geest’, een uitdrukking bekend van de sekte van de Essenen. ‘Armen van geest’ moet eigenlijk vertaald worden met: ‘armen met geest’, dus armen met een diep geloof. En voor diep geloof is wellicht een nederig hart nodig.
- Mensen met emoties als verdriet en mededogen (barmhartigheid) worden door de wereld vaak als watjes beschouwd. Zo niet door Jezus. Dat geldt ook voor mensen met een zuiver hart en voor zachtmoedigen. In de Bijbel worden alleen Mozes en Jezus ‘zachtmoedig’ genoemd. Het gaat om leven zoals zij.
- Gerechtigheid en vrede blijken heel belangrijk in het koninkrijk. Wie daarom vervolgd worden, horen erbij. Ze zijn als de profeten.
- Omkering van de wereldse orde is een steeds terugkomend thema in de Bijbel. Jezus geeft met deze ‘zaligsprekingen’ aan in welke traditie hij staat.
Matteüs 5:38-48, Uit de Bergrede: 'Ik zeg jullie…'
- In deze tekst geeft Jezus heel concreet aan hoe je je kunt gedragen.
- Om te beginnen, haalt hij een belangrijke regel aan uit de Tora, Exodus 21:24: ‘een oog voor een oog, een tand voor een tand’. In Jezus’ tijd én de onze is helaas de oorspronkelijke bedoeling van deze regel uitgegroeid tot een onmenselijke variant van wraak en genoegdoening. In Exodus, in vervolg op de Tien Woorden, werd met ‘oog om oog, tand om tand’ bedoeld, dat wat je van een ander afneemt of stuk maakt, je moet vervangen. Slechts vervangen, teruggeven, niet meer, niet minder. Maar mensen vorderen vaak meer dan vervanging van wat hen ontnomen is, ze willen wraak, genoegdoening. Tegen dit ‘zelfrecht’ komt Jezus in opstand door alles (weer) om te keren: ‘verzet je niet tegen wie je kwaad doet (wat mensen juist wel geneigd zijn te doen), maar wie je op de rechter wang slaat, keer hem de linker toe.’
- Met regels als: ‘Als iemand je onderkleed wil afnemen, sta hem dat toe’, en met ‘Geef aan wie je iets vraagt, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen’, zou je je ook flink kunnen laten uitbuiten door je medemens. Maar in de leefwijze van Jezus speelt bezit geen enkele rol, in tegendeel, bezit is vooral een hindernis om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan.
Matteüs 6:25-34, Maak je geen zorgen
- Het je geen zorgen maken over verlies, iets weggeven, gaat nog even door. Nu concentreert de gedachte zich op het eigen leven en vege lijf.
- Want als je op weg gaat naar het koninkrijk van vrede en barmhartigheid is ‘brood’ niet je eerste zorg.
- Jezus stelt de manier waarop vogels leven als voorbeeld. Zij maaien en zaaien niet en vinden toch hun eten.
- Leven bij de dag is wat Jezus als voorbeeld stelt. Zorgen maken is op zichzelf al vaak een bron van ongeluk.
- Ook over wat je aantrekt, moet je je geen zorgen maken. Nu dienen de leliën op het veld als voorbeeld.
- Veel belangrijker dan je zorgen maken over wat je eet of waarmee je je kleedt, is dat je God zoekt en dat recht doen boven aan de agenda van je leven staat. De dagelijkse besognes en zorgen vallen daarbij in het niet. Want als jij je best doet, recht probeert te doen aan anderen, je brood deelt, dan hoef je je geen zorgen te maken.
Week 5
Matteüs 7:1-12, Niet oordelen maar bidden
- Net als er in Exodus na de Tien Woorden, allerlei andere praktische leefregels worden gegeven, zo geeft ook Jezus in de Bergrede allerlei praktische leefregels.
- Om te beginnen, raadt Jezus aan niet te oordelen, want op grond van jouw oordeel zal ook jij geoordeeld worden.
- Het ‘meten met twee maten’ is niet alleen tot in onze tijd een bekende uitdrukking, het is ook de praktijk van alle dag. Over jezelf of je vrienden oordeel je ‘van nature’ milder dan over anderen. Er is dus inspanning en zelfkritiek nodig om tegen deze neiging in te gaan.
- Het zien van de splinter in de oog van de ander, maar het niet zien van de balk voor het eigen hoofd, is een krachtig beeld waarmee Jezus zijn woorden kracht bijzet. In hedendaagse termen zouden we het projectie noemen: je ziet precies wat de ander allemaal verkeerd doet, maar hebt geen heldere kijk op wat je zelf doet.
- ‘Gooi de parels niet voor de zwijnen’ is een andere tot op vandaag bekende bijbelse uitspraak. Wat heilig voor je is, kun je maar beter niet uitbazuinen in de wereld.
- Met ‘vraag en er zal gegeven worden’ wordt uiteraard niet bedoeld dat je een verlanglijstje aan God voorlegt en Hij je alles zal geven. Jezus legt uit om welke vragen het gaat: als een kind om brood vraagt (brood staat voor de eerste levensbehoefte, maar ook de Tora, de grondwetten van het leven), dan geeft God, net als een goede ouder, brood en geen steen. Als een kind om een vis vraagt (dit staat voor de overige boeken in het Oude Testament, profeten en geschriften), dan geeft je geen slang.
Matteüs 7:13-23, Niet zeggen maar doen
- Vaak denken we dat we ‘recht op geluk’ hebben, dat het leven mooi moet zijn. Jezus leert ons een heel andere les. Hij houdt ons voor dat we juist door moeilijkheden heen moeten gaan, juist de smalle en lastige weg moeten zoeken en niet de makkelijke oprijlaan. Om uit te groeien tot een mens naar Gods hart hebben wij kennelijk juist beproevingen nodig. Gaan wij die beproevingen aan, of kiezen we liever voor genot en oppervlakkig geluk?
- Het zou zo prettig zijn als er leiders waren die ons de goede weg konden wijzen, maar Jezus waarschuwt voor valse profeten in schaapskleren. Je herkent mensen en profeten aan hun daden, aan wat ze doen: de vrucht van hun handelen. Naïef achter een profeet in mooie kleren en een mooie show aanlopen, is je eigen verantwoordelijkheid.
- Ook hier lijkt te gelden: het gaat niet om de buitenkant, om de schone schijn, om wat iemand zegt. In het koninkrijk gaat het om je hart.
- Alleen God aanroepen, ‘Heer, Heer’ zeggen, is niet genoeg. Ook dat kunnen loze woorden zijn. God ziet je hart, Hem kun je niet misleiden, Hij kijkt dwars door je heen. Wie leeft op alleen maar loze woorden zonder ernaar te leven, zal genadeloos worden ontmaskerd.
Matteüs 7:24-29, Waar bouw je op?
- Jezus sluit zijn rede op de berg af met een gelijkenis over ‘tweeërlei fundament’.
- Neem je wat Hij heeft geleerd je ter harte en probeer je ernaar te leven, dan ben je als een man die zijn huis bouwt op een rots, op een stevig fundament.
- Gaan Jezus’ leringen het ene oor in en bij het andere er weer uit, dan ben je als een man die zijn huis bouwt op (drijf-)zand.
- Een huis staat van oudsher symbool voor je leven. De vraag ligt zo bij ieder mens zelf: voor welk fundament kies je?
- In vers 28 en 29 blijkt dat Jezus op een heel andere manier spreekt en leert dan de mensen van hun Schriftgeleerden gewend zijn. Hij spreekt met gezag.
Week 6
Matteüs 8:1-4, Genezing van een man met huidvraat
- Jezus daalt van de berg af en meteen doet de rauwe werkelijkheid zich voor: iemand met melaatsheid, een huidziekte, valt voor hem neer.
- De scharen die Jezus volgden, moeten zijn geschrokken. In de tijd van het Nieuwe Testament leefden mensen met deze huidziekte ver weg van de bewoonde wereld. Iemand met huidvraat moest met een ratel lopen, zodat anderen hem of haar bij voorbaat uit de weg konden gaan. Dit in verband met angst voor besmetting.
- Uit de woorden van de zieke man spreekt groot geloof: ‘Heer, als u wilt, kunt u mij rein maken.’
- Is de man een voorbeeld van wat Jezus in de zaligsprekingen wilde zeggen? Wie een moeilijke levensweg gaat, ziet soms helderder waar het om gaat dan wiens leven altijd gladjes verloopt.
- Jezus raakt de man aan en spreekt (met gezag) woorden die werken.
- Tot slot stuurt hij de man naar de priester, precies zoals in de leefregels van de Tora geschreven staat in Leviticus 14:1-32.
- Hoewel Jezus zeer kritisch is op de schriftuitleg van zijn tijd, Hij houdt zich wel, of juist, aan de basisregels.
Matteüs 8:28-34, Genezing van bezetenen
- Jezus en zijn leerlingen ontmoeten opnieuw paria’s, mensen die buiten de samenleving vallen. Twee bezeten die ondergedoken leven in de spelonken van de grafsteden, komen hen bij Gadara tegemoet.
- De twee zijn bezeten. Als je het al niet was, dan zou je het wel worden, levend te midden van graf en dood. Mensen zijn doodsbang voor ze, niemand durft langs de plek te lopen.
- Iedereen is bang. De mannen lijken niet zelf te spreken, de demonen in de mannen lijken tegen Jezus te spreken en erkennen hem meteen als hun meerdere. Ze proberen een heenkomen te zoeken, want dat ze uit de mannen gedreven zullen worden lijkt een al uitgemaakte zaak. ‘Stuur ons dan naar die kudde zwijnen,’ smeken de demonen. En zo gebeurt.
- De varkens – volgens de Tora onreine dieren (Leviticus 11:7) – fungeren als een soort zondebok voor de demonen die in hen varen en met hen neerstorten in zee en ten onder gaan. Vanuit ons perspectief vandaag zou je kunnen zeggen: wat zielig van de varkens. De vraag is wat zieliger is, als zondebok verdrinken in zee of in de bio-industrie worden gefokt zoals in onze tijd. (Varkens zijn overigens erg intelligente en lieve dieren, maar varkensvlees, zo blijkt uit hedendaagse onderzoek, is niet goed voor de gezondheid.)
- De gebeurtenis is zo angstaanjagend dat de mensen uit de stad, gewaarschuwd door de varkenshoeders, komen om Jezus weg te sturen. Kennelijk houden ze de zaken liever bij het oude. Zijn ze bang voor Jezus, zoals eerst voor de bezetenen?
Matteüs 9:27-31, Genezing van blinden
- Twee blinden vragen om het erbarmen van Jezus. Zij noemen hem ‘zoon van David’.
- Jezus stelt hen de vraag of ze geloven dat hij het kan doen. Kennelijk is alleen medelijden met een slachtoffer niet genoeg om beter te worden. Vanuit het slachtoffer moet ook iets komen.
- Als de blinden verzekeren dat ze geloven, raakt Jezus hun ogen aan en gaan ze open.
- Jezus waarschuwt de mannen nadrukkelijk om de vreugde over hun genezing niet uit te bazuinen. Jezus heeft kennelijk geen behoefte aan een show en een heldenrol. Maar de genezen mannen kunnen hun geluk niet voor zich houden.
Week 7
Matteüs 9:35-10,4, Arbeiders aangesteld
- In het eerste vers komen belangrijke werkwoorden voor die Jezus’ programma karakteriseren: 1) rondtrekken langs steden en dorpen; 2) leren in synagogen 3) verkondigen van het komende Godsrijk 4) genezen van zieken.
- Jezus zelf wordt gekarakteriseerd door het medelijden dat hij voelt bij de hulpeloosheid van de mensenmenigte. Het lijden van de mensen raakt hem diep.
- Jezus ziet dat er veel oogst is en dus veel werk aan de winkel: hij heeft arbeiders nodig.
- Vers 38 is bijna een gebed. Blijkbaar is het niet vanzelfsprekend dat volgelingen ook arbeiders worden. Kennelijk moet eerst iemand geroepen worden door de Stem.
- Dan pas roept Jezus twaalf volgelingen bij naam. Hij roept hen tot arbeiders om het werk te doen dat hij in de voorgaande hoofdstukken is begonnen.
Matteüs 10:5 -23, Arbeiders uitgezonden
- Jezus zendt zijn arbeider uit en geeft allerlei instructies:
1) Vers 5b-6: Naar wie ze toe moeten gaan: ga niet de weg van heidenen maar zoek liever de verloren schapen.
2) Vers 7-8a: Wat ze moeten doen: genezen, doden opwekken, mensen rein maken en demonen uitdrijven.
3) Vers 8b-10: Onder het motto ‘om niet heb je ontvangen, om niet zul je geven’ maant Jezus geen geld, reistas, extra kleren, sandalen of stok mee te nemen. ‘Een arbeider is het waard, dat in zijn onderhoud wordt voorzien.’
4) Vers 12-15: Hoe je te werk moet gaan: groet de mensen en als ze het waard zijn wens ze vrede. Als mensen je niet willen ontvangen, schudt dan het stof van je voeten.
5) Vers 16-18: Wat ze kunnen verwachten: Jezus zendt de arbeiders als ‘schapen onder de wolven. Wees dus scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif.’
6) Vers 19-20: Wat ze moeten doen als ze beschuldigd worden. ‘… wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven.’
7) Vers 21-23: De arbeiders zullen veel haat ontmoeten op hun weg. Standhouden is de enige optie, want wie standhoudt zal worden gered.
- Jezus stuurt de arbeider bepaalt niet een ‘brede’ en makkelijke weg op. Ze zullen voor een groot deel zichzelf moeten helpen en vertrouwen.
Matteüs 10:24-40, Uitdagingen onderweg
- Jezus vervolgt dat zijn arbeiders niet bang moeten zijn om de confrontatie met anderen aan te gaan. Als het om Gods waarheid gaat, kun je niet duidelijk genoeg zijn. En je kunt maar beter God op zijn waarde schatten, dan dat je je bang laat maken door mensen die alleen je lichaam kunnen doden. God kan bij je ziel.
- Twee illustratieve voorbeelden volgen. Als zelfs een mus niet kan vallen zonder dat God het wil, als àlle haren op een mensenhoofd zijn geteld, als je je realiseert dat God je door en door kent, waar kun je dan nog bang voor zijn?
- Tegenover Gods waarheid valt alles in het niet. Hoe belangrijk ook, maar de meest hechte bloedbanden, zoals tussen kinderen en hun ouders, zijn minder belangrijk dan Gods waarheid. Als ouders verkeerde keuzes maken, tégen God, hebben kinderen het recht, de plicht om zich te verzetten en te kiezen vóór God, ook als dat tégen hun ouders is.
- In het licht van Gods waarheid is het erop of eronder. Het is ieders eigen keuze en verantwoordelijkheid, en makkelijk is dat niet. De liefde voor onze familie wordt hier ondergeschikt gemaakt aan de liefde van God.
- Jezus beseft terdege de moeilijkheid van de keuzes die je soms moet maken met vaak verlies tot gevolg. Daarom spreekt hij ervan dat je je ‘kruis moet opnemen’.
- ‘Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden.’ In moderne termen zouden we zeggen: ‘Je moet loslaten’. Zo graag zouden we al wie en wat ons lief is in veiligheid willen brengen en het nooit meer loslaten. Het leven leert ons andere lessen. Jezus zelf gaat ons hierin voor.
Week 8/9
De gelijkenis van het zaaien, Matteüs 13:1-23
- Er gaat veel mis bij het zaaien van Jezus’ nieuwe weg. Lang niet iedereen heeft een gewillig oor.
- Om zoveel mogelijk mensen te bereiken, vertelt hij steeds andere verhalen vanuit het dagelijkse leven. Zo kan iedereen iets herkennen uit zijn eigen leefwereld.
- Om te vertellen hoe dit gaat, vertelt Jezus het verhaal van een zaaier, die overvloedig zaait zonder te kijken, waar het zaad terechtkomt.
- Een deel van het zaad (de woorden) valt niet in vruchtbare aarde, maar valt ernaast. Dit zijn de woorden, die niet begrepen worden en daarom niet ontkiemen. Het lijkt alsof een tegenstander ze eet.
- Een tweede deel van de woorden valt wel in aarde, maar er zitten veel stenen tussen. Dan is de ontvangst oppervlakkig. Het wortelt niet diep.
- Een derde deel van de woorden valt tussen dorens. Dat wil zeggen, dat de zorgen van het dagelijks leven en en het verlangen naar rijkdom de woorden verstikken.
- Ten slotte is er ook nog een deel, dat niet alleen in goede aarde valt, maar ook ontkiemt en zelfs heel veel vrucht draagt. Dan wordt het woord niet alleen begrepen, maar ook gedaan.
Andere gelijkenissen van het zaad, Matteüs 13:24-35
- Nog een verhaal over zaaien: Jezus legt uit, waarom er zoveel narigheid op de wereld is. Naast het zaaien van God is er ook een ander die vreemde gedachten zaait in mensen.
- Daardoor komen goede daden op, maar ook kwade daden.
- Die laatste kun je er niet zomaar even uittrekken, want het zit vaak door elkaar heen geworteld in de aarde.
- Pas als er geoogst wordt, kun je het uit elkaar halen en de verkeerde zaken verbranden. Dat wil zeggen: pas achteraf weet je het onderscheid ook zelf. Dat zie je aan het resultaat.
- Nog een verhaal over zaad: het koninkrijk begint zo klein als een mosterdzaadje. Je kunt het nauwelijks zien, maar als het eenmaal een boom is, kunnen de vogels erin nestelen.
- Nog een verhaal; het koninkrijk is als zuurdesem. Het trekt door het hele brood heen.
- Zo maakte Jezus Gods geheim een beetje begrijpelijk voor mensen.
